Inleiding

De mens, door de natuur in het tijdelijke begrensd, droomt van eeuwigheid, door tempels en standbeelden op te richten, geeft hij zich de waan, dingen te scheppen, die niet zullen vergaan.
Gustave le Bon

 

Prof. Pels: ‘Ik richt me nu even tot de geachte lezer.’

Dhr. Luis: ‘Ga je gang.’

Prof. Pels: ‘Hallo! Het doet me deugd dat je De mens als grens hebt opengeslagen. Je bent, nu je de inleiding leest, ongetwijfeld nieuwsgierig geworden door de flaptekst, de inhoudsopgave en de stijlkeuze. Nieuwsgierigheid is goed. Als we stoppen met nieuwsgierig zijn, bijvoorbeeld als we iets niet begrijpen en vervolgens verwijzen naar ‘hogere machten en krachten’ voor een verklaring, of als we zeggen te ‘geloven’ dat wetenschap ook maar een mening is, dan stopt onze vooruitgang. Als we geen vooruitgang meer boeken in de manier waarop we samenleven en samenwerken, dan gaat alle hoop verloren. Alle hoop? Nou, nee. Wie we zijn, waar we staan en wat we willen, begint bij het individu en dat ben jij! Met jou als weledele lezer is er in ieder geval minstens één eenheid hoop waar we mee kunnen werken. Je bent dus van harte welkom. Laten we maar eens kijken naar wat je te wachten staat.’

Dhr. Luis: ‘Nou, het begint al goed. Hoop? Er is geen hoop! Als we gaan kijken naar wat ons te wachten staat, dan zie ik alleen maar donkere tunnels, afgronden en een hoop menselijk lijden. En dan heb jij het over hoop?’

Prof. Pels: ‘Jazeker. In dit stadium is dat helemaal niet zo verkeerd. We staan pas aan het begin van de inleiding en we hebben samen nog een lange weg te gaan. Het kan geen kwaad, denk ik, om de lezer van dit boek eerst van harte welkom te heten en nieuwsgierig te maken. Hoe wil je anders dat ze verder lezen? Houd nog even je paarden in en geef me wat ruimte.’

Dhr. Luis: ‘Vooruit dan. Maar ik garandeer niks.’

Prof. Pels: ‘Dank je. Zou jij je aangesproken voelen door paradoxale uitspraken als ‘we werken samen om te falen’ en ‘we leven om uit te sterven’? Waarschijnlijk niet. Je kunt vast zó een heleboel voorbeelden bedenken waaruit blijkt dat we wel degelijk ‘succesvol’ samenwerken op lokaal, regionaal, nationaal en internationaal niveau. En dat er al acht miljard mensen op deze planeet rondlopen, zichzelf ‘succesvol’ vermenigvuldigend tot tien miljard tegen het jaar 2050. Maar wat betekent ‘succesvol’ eigenlijk? Wanneer kun je dat oprecht zeggen van alle acht miljard (of tien miljard) mensen samen?

De verwantschapscirkel

Stel je voor dat het gedrag van een individueel exemplaar van de menselijke soort gelijkgesteld kan worden aan het gedrag van de soort als geheel. Dat onze intrinsieke aard – wie we zijn, waar we staan, wat we willen – zich, gemiddeld genomen, onveranderd kopieert en vermenigvuldigt langs het pad van individu, groep, samenleving en suprasysteem. Dat ieder individu als het ware in het midden staat van overlappende, naar buiten toe steeds groter wordende cirkels van menselijke groepen, tot aan de grenzen van de kosmos toe. En dat iedereen zich daar gemiddeld genomen hetzelfde gedraagt, met vergelijkbare consequenties van dat gedrag.’

Dhr. Luis: ‘Oké. Heb ik.’

Prof. Pels: ‘Dit collectief van overlappende samenwerkingsverbanden noem ik de verwantschapscirkel, die, van binnen naar buiten, als volgt is opgebouwd:

  1. Het individu (dat ben jij)
  2. De kleine groep (gezin, familie, vrienden, collega’s, teamgenoten)
  3. De grote groep (organisaties, bedrijven, ondernemingen, coöperaties, multinationals)
  4. De kleine samenleving (straat, buurt, wijk, dorp, stad, provincie)
  5. De grote samenleving (land, staat, continent)
  6. Het suprasysteem (Moeder Aarde en de menselijke beschaving)
  7. De kosmos (zonnestelsel, sterrenstelsel, sterrenclusters, universum, multiversum)

Stel je vervolgens voor dat onze sterkte (we zijn als menselijke soort heel goed in mondiale samenwerking) én onze zwakte (we zijn als wezen fundamenteel eenkennig, kortzichtig en zelfzuchtig), zich manifesteert als een mysterieuze en hardnekkige grens in de groei in organisatorische volwassenheid (cirkels 1, 2 en 3) en in beschavingsvolwassenheid (cirkels 4, 5 en 6). Dat we maar niet door die grenzen heen lijken te komen, omdat onze organisaties aantoonbaar falen in samenwerking en communicatie, resulterend in een samenwerkingsbarrière, die ons hindert om door te groeien naar een hoogvolwassen organisatie (deel 1 van dit boek). En dat dat een-op-een doorgezet kan worden naar het cumulatief van falende samenlevingen, resulterend in een beschavingsbarrière, die ons hindert om door te groeien naar een hoogvolwassen beschaving (deel 2 van dit boek).’

Dhr. Luis: ‘Je vraagt nogal wat van me, maar ik kan je nog volgen. Ga door.’

Prof. Pels: ‘Stel je daarnaast voor dat we desondanks bij hoog en bij laag bezweren dat we die grenzen alláng gepasseerd zijn, dat we wel degelijk hoogvolwassen zijn, niet alleen als individu maar ook als groep, samenleving en suprasysteem. Dat we juist góed bezig zijn. En stel dat vervolgens in de praktijk blijkt dat het tegendeel waar is: dat grenzeloze groei niet grenzeloos gelukkig maakt, dat hard skills wel degelijk voor soft skills gaan en dat economie daadwerkelijk ten koste gaat van ecologie. Dat die combinatie van factoren ons voortbestaan als menselijke soort inmiddels serieus bedreigt. Dan ontstaat er bijna als vanzelf een samenwerkingsparadox (‘we werken samen om te falen’) en een bestaansparadox (‘we leven om uit te sterven’). Want het kan niet allebei waar zijn.’

Dhr. Luis: ‘Ja, precies! Dat is precies wat ik zeg: we zijn kansloos! Gedoemd om ten onder te gaan aan organisatorisch gepruts en natuurvernietiging. Ik ben blij dat jij dat ook zo ziet.’

Prof. Pels: ‘Even wachten nog, niet zo snel! We zijn er nog lang niet. Tot nu toe heb ik jou en de lezer alleen maar gevraagd om je wat voor te stellen. Dat wil nog niet zeggen dat het echt zo ís, hè?’

Dhr. Luis: <moppert wat in zichzelf>

Prof. Pels: ‘Ik ga verder. Net zo goed als we als mens niet twee tegengestelde kanten op kunnen gaan zonder uit elkaar getrokken te worden, kunnen we gemiddeld genomen als menselijke soort niet onvolwassen én volwassen tegelijk zijn. Maar stel nou dat die grenzen uiteindelijk binnen onszelf blijken te liggen, dat het fundamenteel onbuigzame barrières zijn? Wat nou als die grenzen inherent zijn aan de essentie van ons wezen en dat we dus als mens zélf onze eigen grens zijn? Met andere woorden: wat gebeurt er als we ontdekken dat onze potentie als menselijke soort, voor wat betreft onze overlevingskansen, op natuurlijke wijze is begrensd?’

Dhr. Luis: ‘Ja, precies. Wat gebeurt er dan?’

Prof. Pels: ‘Stel je ten slotte voor dat we op zoek gaan naar probleem, oorzaak en gevolg van deze menselijke dilemma’s, barrières en paradoxen. Dat we ons daarbij niet laten afleiden door details op kleine, lokale schaal (om een verblindende en afleidende informatieoverload te voorkomen), maar alleen kijken naar het totale eindresultaat van ons collectieve handelen, op het allerhoogste niveau (ik noem dat in dit boek met een mooi Duits woord das Gesamtergebnis). Hoe zou ons collectieve gedrag zich dan manifesteren? Zou je dan organisaties zien die groeien als kool, waarin alles steeds groter, rijker en machtiger wordt? Zouden multinationals de economie domineren, terwijl ons welzijn en welbevinden stagneert en de ongelijkheid en verdeeldheid toeneemt? Zou je dan milieuvervuiling, vernietiging van de biodiversiteit en klimaatverandering zien? Zou de economie óns dan domineren, ten koste van de ecologie?’

Dhr. Luis: ‘Allemaal ja, ja, ja en ja.’

Prof. Pels: ‘Oké. Maar wat denk jij: als zo’n destructieve beweging eenmaal is ingezet, is ze dan nog wel te stoppen, laat staan terug te draaien? Is er dan nog wel ruimte voor kansen, mogelijkheden en oplossingen om het meest dramatische eindresultaat, de uitsterving van de menselijke soort, te voorkomen? Want als de bestaansparadox inderdaad fundamenteel onoplosbaar blijkt, dan lijkt ons voortbestaan op de lange termijn uitermate onzeker. Ondertussen worden we frontaal geconfronteerd met de directe gevolgen van ons neoliberale, kapitalistische, consumentistische en groei-economische suprasysteem: de temperatuur stijgt, het weer wordt extremer en klimaatrampen overspoelen de planeet. Het lijkt er niet bepaald op dat de vrije markt ons hier gaat helpen, laat staan redden.’

Dhr. Luis: ‘Kijk, nu vraag je me toch écht wat ik denk. Zal ik jou eens vertellen wat ik denk? De bestaansparadox waar jij het over hebt, ís helemaal niet op te lossen. En ja, onze enige, fantastisch mooie planeet die we hebben, wórdt overspoeld met de ene na de andere klimaatramp. Dat is toch zelf-evident allemaal? Kansloos!’

Prof. Pels: ‘Ik kan me voorstellen dat jij je zo voelt, maar we zijn samen een reis aan het maken, hè? Als het aan jou zou liggen zou mijn boek ongetwijfeld de titel Kansloos! hebben gekregen. Of, als je graag alliteraties gebruikt: De zelfmoordsoort. Met als subtitel ‘Waarom we allemaal gedoemd zijn ten onder te gaan’. Het zou het dunste boek zijn dat ooit gepubliceerd was, meer een poster om overal op te plakken. Maar wat hebben mensen daaraan? Het lijkt me nuttiger om een zo rationeel mogelijk discours te voeren over de toestand van de wereld, met al die mensen erin, wat jij?’

Dhr. Luis: ‘Oké. Ik zal me proberen in te houden, tot ik een beter idee heb waar het heen gaat. Maar tot nu toe sta je aan mijn zijde, hè? Ik heb het je gezegd!’

Prof. Pels: ‘Laten we eerst eens gaan proberen om antwoorden te vinden op deze duivelse dilemma’s. Want of het nou gaat om individu, groep, samenleving of suprasysteem, overal op deze planeet zien we, of we dat nou leuk vinden of niet, diepe sporen met dezelfde signatuur: die van de sociale groepsprimaat en jager-verzamelaar Homo sapiens. In die paar honderdduizend jaar dat we ons ‘de verstandige, wijze, denkende mens’ mogen noemen, hebben we nog geen moment in balans met onze natuurlijke omgeving geleefd (Bregman, 2013. Harari, 2019). Deze periode wordt dan ook niet voor niets het Antropoceen genoemd. Het is de door de geoloog Alexei Pavlov voorgestelde naam van het tijdperk waarin het aardse klimaat en de atmosfeer de gevolgen ondervinden van menselijke activiteit. Het lijkt mij echter nauwkeuriger om naar deze periode te verwijzen als “het tijdperk waarin het aardse klimaat en de atmosfeer de destructieve gevolgen ondervinden van menselijke activiteit, potentieel resulterend in de uiteindelijke existentiële uitroeiing van de soort als geheel”.

Nieuwe observatiepost

Dat is niet overdreven dramatisch of nodeloos provocerend bedoeld; om tot dat inzicht te komen zullen we ons analysestandpunt slechts van bottom-up naar top-down moeten verplaatsen. Dat wil zeggen, we moeten tijd vrijmaken om onze comfortabele, supralokaal georiënteerde positie los te laten en boven onszelf uit te stijgen, om zowel breder als dieper te kijken: het vereist dat we stoppen met navelstaren. Want als je maar lang genoeg naar je navel staart, dan wordt zelfs het navelpluis een probleem (Flos, 2016).

Onze nieuwe observatiepost zal uiteindelijk op het allerhoogste niveau moeten liggen, om dit existentiële drama te beschouwen en te begrijpen. We zullen onze natuurlijke neigingen, om kortzichtig te zijn in termen van tijd en geografie, ver van ons af moeten werpen. En we zullen, met pijn in ons hart, de supralokale, hartverwarmende en soms zelfs ronduit altruïstische initiatieven die we als sociale groepsprimaten ontplooien om de wereld een beetje beter te maken, moeten negeren, als ze niet daadwerkelijk bijdragen aan de verbetering van de toekomstverwachting van de gehéle menselijke soort, voor álle mensen op deze planeet. Kortom: het is een frontaal confronterende boodschap en we zullen er even voor moeten gaan zitten.’

Dhr. Luis: ‘Je vráágt nogal wat van me, hè? Terwijl de eindconclusie toch recht voor je neus ligt. Maar goed, als jij denkt dat er antwoorden, laat staan oplossingen bestaan, dan ben ik bereid om ze allemaal met een honkbalknuppel uit het stadium te slaan.’

Prof. Pels: ‘Daar ben je voor aangenomen. Maak je vooralsnog niet al te veel zorgen. In De mens als grens bespreken we niet alleen stap voor stap de grote problemen, diepere oorzaken en onvermijdelijke gevolgen van ons collectieve handelen. We behandelen ook de noodzakelijke oplossingen en oplossingsrichtingen, om uiteindelijk tot de enige oplossing te komen die ons nog rest om onze samenwerkingsparadox én de bestaansparadox op te lossen. Met andere woorden: we kijken ook naar wat we moeten doen om te voorkomen dat we te boek komen te staan als een in zichzelf begrensde soort. Want wie zou onze geschiedenis in vredesnaam nog moeten optekenen als we er niet meer zijn? Een waarschuwing is hier echter op zijn plaats: het zal erom spannen. Want hoe hoopvol deze oplossingen voor individu, groep, samenleving en suprasysteem op papier ook mogen lijken, we moeten het nog wel even doen met zijn allen. En de tijd dringt.’

Dhr. Luis: ‘Juist. De tijd dringt. Ik zou liever willen zeggen: de tijd is op. De bel is gegaan. Er zíjn geen oplossingen, er zijn alleen maar onoplosbare problemen. Het wereldwijde klimaat is op hol geslagen en er is niets wat we daar nog aan kunnen doen.’

Prof. Pels: ‘We gaan het zien. Eerst maar eens wat meer vertellen over de aanpak in dit boek, oké?’

Dhr. Luis: ‘Vooruit dan maar.’